Kies een breed- of puntpen (of een penseelstift voor beginners) en houd hem in een constante hoek, meestal ongeveer 45 graden ten opzichte van de schrijflijn, gedurende elke letter. Oefen eerst basisstreken — rechte lijnen, bochten en ovalen — voordat je volledige letters probeert, want consistente streken zijn de basis van leesbaar schrift. Oefen lichte druk uit bij opwaartse streken en stevigere druk bij neerwaartse streken met een flexibele pen om het klassieke dik-dun-contrast te creëren, of houd de druk gelijkmatig als je een tool met vaste breedte gebruikt zoals een penseelstift. Werk langzaam en houd je pols relatief stil, beweeg je hele arm voor grotere streken in plaats van alleen je vingers. Oefen op papier met hulplijnen om letterhoogte en -helling constant te houden, en verwacht dat je hand aanvankelijk snel moe wordt — korte, regelmatige oefensessies bouwen spiergeheugen sneller op dan lange, onregelmatige.