Zet het aantal steken op dat je patroon aangeeft, waarmee je een basisrij op je naald creëert. Leer eerst de recht steek — steek de rechternaald aan de voorkant in een steek, wikkel het garen om de naaldpunt, trek de lus erdoor, en laat de oude steek eraf glijden — herhaal dit over de hele rij. Zodra je je er comfortabel bij voelt, leer de averecht steek, die op vergelijkbare wijze wordt gewerkt maar met het garen voor het werk gehouden. Het combineren van recht en averecht in verschillende patronen creëert verschillende texturen, zoals de bobbelige mosterreliëfsteek (alle rijen recht) of de gladde tricotsteek (afwisselend recht en averecht rijen). Houd je spanning constant door het garen niet te strak te trekken of te los te laten, en tel je steken regelmatig om fouten vroeg op te sporen, want een extra of ontbrekende steek is veel makkelijker te herstellen een paar rijen terug dan vele rijen later.