Rig je hengel met een haak, een verzwaring en een dobber (als je nabij het oppervlak vist), en zet vervolgens aas op de haak — wormen, brood of kunstaas, afhankelijk van de doelvis — en controleer de lokale regelgeving voor een eventueel vereiste vergunning. Werp de lijn voorzichtig uit met een zwaai van de hengel, en laat het aas zinken of drijven waar waarschijnlijk vis zit. Let op beweging in de lijn of dobber — een trilling of duik betekent meestal een beet. Voel je een beet, geef dan een stevige maar beheerste ruk ("aanslaan") om de vis te haken, en haal hem daarna gestaag binnen, met de lijn strak maar niet zo strak dat hij breekt. Land de vis voorzichtig, eventueel met een schepnet, en zet hem zachtjes terug als je hem niet houdt.