Kamperen beloont vooral een beetje planning, meer dan strikte regels. Kies een vlakke plek, minstens 60 meter van het water en zonder dode takken erboven; zet je tent op voor het donker wordt en zet hem vast met haringen, ook als er geen regen wordt verwacht. Neem het essentiële mee — een slaapzak die geschikt is voor de koudste nacht, een hoofdlamp, extra kleding en meer water dan je denkt nodig te hebben. Bewaar eten goed afgesloten en uit de buurt van je slaapplek, en laat een kampvuur nooit onbewaakt achter — blus het met water, roer de as door en blus nog eens voordat je gaat slapen. Laat de plek ten slotte net zo netjes achter als je hem aantrof — neem al het afval mee en geef de natuur de kans zich te herstellen.